Stichting behoud
naam
en ommelanden
herfst voorjaar

 

Zienswijze van de Stichting Behoud Prinsenlaan en Ommelanden bij het Ontwerp Tracé Besluit  A27/A1  Aansluiting Utrecht Noord- Knooppunt Eemnes- Aansluiting Bunschoten-Spakenburg, (dd 12 november 2010) en het bijbehorende Milieu Effect Rapport A27/A1 

Maartensdijk/Groenekan, 15 december 2010,

 

Doelstelling van de Stichting Behoud Prinsenlaan en Ommelanden

De Stichting Behoud Prinsenlaan en Ommelanden is een plaatselijk initiatief van bewoners die zich zorgen maken om het verdwijnen en aantasten van natuur en landschap rondom de dorpen Maartensdijk en Groenekan. De stichting heeft ten doel natuur en landschap in het Prinsenlaangebied te beschermen en waar mogelijk te versterken. Het werkterrein van de stichting ligt tussen de N234 en de dorpsrand van Maartensdijk en is vernoemd naar het centraal in het gebied gelegen Prinsenlaantje (een bospad in een fors hakhoutbos). De Stichting heeft zich in de afgelopen jaren met succes ingezet om de plannen voor een golfbaan in het ecologisch waardevolle historische slagenlandschap te bestrijden. Voor de nabije toekomst steunt en initieert zij herstel van singelbeplantingen langs de kavelgrenzen en de aanleg van poelen en natuurvriendelijk oevers. Ook biedt zij bijvoorbeeld hulp bij de uitvoering van een onderhoudsplan voor het historische Prinsenlaantje. De Stichting werkt daarbij samen met veel lokale groeperingen. Informatie over de activiteiten is te vinden op de website www.prinsenlaantje.nl  

In de verschillende documenten die onderdeel vormen van het Ontwerp Tracé Besluit en de Milieu Effect Rapport, staan diverse beschrijvingen en beweringen die betrekking hebben op het Prinsenlaangebied en de direct aangrenzende gebieden. We geven in het navolgende document steeds een aantal citaten, daarna volgt onze zienswijze.

Landschappelijke kaders voor het gebied

 Citaat pag 26 van deelrapport natuur:  “Tussen de aansluiting Ring Utrecht-Noord (31) en Hollandsche Rading ligt de A27 in een open veenweidegebied. .. Door de bundeling met de spoorlijn (westzijde) en de beplanting die tussen de A27 en de spoorlijn is aangebracht, is dit naar de westzijde echter niet goed zichtbaar”…. Letterlijk dezelfde bewering staat in het deelrapport landschap en cultuurhistorie op pag 8.

Citaat deelrapport landschap en cultuurhistorie pag 36:   De A27 gaat door het oostelijke deel van het Vecht en plassengebied. Het Vecht en plassengebied wordt gekenmerkt door de vlakke ligging en een bodemgradiënt van veen naar zand. De kernkwaliteiten zijn: gaaf veenontginningslandschap met alle kenmerkende componenten naast elkaar; veenweiden met oude
ontginningslinten, grote openheid in contrast met verdichte omgeving (bos, stad); unieke, ongestoorde overgang
van hogere zandgronden naar veengebied. Tussen Utrecht Noord en Hollandsche Rading ligt de A27 in een
open weidegebied. Dit weidegebied is beschermd als Nationaal Landschap Het Groene Hart en deels als
Nationaal landschap de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De A27 ligt gebundeld met de spoorlijn Utrecht-Hilversum
en op kleine afstand de Koningin Wilhelminaweg en de Maartensdijkse Vaart. De infrastructuurbundel volgt de
kavelstructuur en doorsnijdt daardoor weinig landschappelijke structuren. De vele houtwallen op de kavelgrenzen die kenmerkend zijn voor dit gebied liggen parallel aan de A27.
Ter hoogte van Groenekan bevindt zich aan de westzijde van de weg een beplantingsstrook langs de spoorlijn
Utrecht-Hilversum. Deze loopt door tot aan Hollandsche Rading en past in de structuur van het
overgangslandschap met beplantingsstroken….. De beplantingssingel maakt ook migratie van fauna in lengterichting
van de infrastructuurbundel mogelijk.

Citaat pag 70 deelrapport Landschap en cultuurhistorie:  Vanuit landschappelijk oogpunt is in het open veenweidegebied Hollandsche Rading en Maartensdijk ruim zicht gewenst. Vanuit ecologisch en sociaal oogpunt is een hakhoutwal gewenst. Voorgesteld wordt de houtwal te handhaven en enkele forse doorzichten te maken (basisprofiel ‘weg in de wei’/’parklandschap’).

Citaat deelrapport landschap en cultuurhistorie pag 60  : Voor de A27 wordt herstel van aangetaste houtwallen, houtsingels of bomenrijen als mitigerende maatregel benoemd. Herstel dient zo dicht mogelijk op de locatie van aantasting, bij voorkeur aansluitend op aangetaste delen plaats te vinden en aan te sluiten op de landschapsstructuur. Deze mitigerende maatregel leidt tot een verandering van de score voor het voorkeursalternatief naar licht negatief (-) en het minimumalternatief naar een
neutrale score (0).

Citaat uit de MER p 133Als gevolg van de wegverbreding zullen er enkele beplantingsstroken evenwijdig aan de A27 worden aangetast. In het voorkeursalternatief is de aantasting weliswaar groter dan in het minimumalternatief maar in beide alternatieven leidt de aantasting niet tot verdwijnen en daarmee wordt de karakteristiek van het landschap bij beide alternatieven niet beïnvloed.
Citaat uit pag 135 MER:
Beide alternatieven zullen leiden tot aantasting van houtwallen, singels en bomenrijen langs de weg (zie
Tabel 74) . Het voorkeursalternatief zal tot een iets grotere aantasting leiden, waardoor deze negatief scoort, waar
het minimumalternatief licht negatief scoort (zie Tabel 73). De score is niet zeer negatief, omdat de aantasting niet
leidt tot verdwijnen van elementen. Daarnaast zal de wegverbreding niet leiden tot aantasting van
gebiedskenmerken en patronen.
………………..
Voor de A27 wordt herstel van aangetaste houtwallen, houtsingels of bomenrijen als mitigerende maatregel
benoemd. Herstel dient zo dicht mogelijk op de locatie van aantasting, bij voorkeur aansluitend op aangetaste delen
plaats te vinden en aan te sluiten op de landschapsstructuur. Deze mitigerende maatregel leidt tot een verandering
van de score voor het voorkeursalternatief naar licht negatief en in het minimumalternatief naar een neutrale score.

Het landschap van het Prinsenlaangebied is, evenals de aangrenzende gebieden ten noorden en ten zuiden richting Hollandsche Rading resp. Groenekan, een landschap dat gekenmerkt wordt door opstrekkende kavels (“slagenlandschap’) waarvan de kavelgrenzen sinds historische tijden begroeid zijn met smalle lijnvormige stroken van elzen, (knot) wilgen, eiken en vele soorten besdragende struiken. Op sommige plaatsen is de kavelgrensbeplanting zwaarder ontwikkeld, en liggen er hakhoutsingels (zoals het Prinsenlaantje of het noordelijk deel van het bos van de vroegere buitenplaats Voordaan). In de berm langs het Oostveense pad en het Vuursche pad (fietsverbinding Utrecht Noord- Hollandsche Rading) is dergelijke  lijnbeplanting zo’n 25 jaar geleden hersteld. In de afgelopen tientallen jaren zijn veel van deze singels gerooid om de schaalvergroting en mechanisering van de landbouw te dienen. De bewering, dat de A27 zich hier in het open weidelandschap bevindt, is dan ook pertinent onjuist.
Aan de westzijde van de A27 bevindt zich een stevige bosstrook langs het talud van de snelweg, geheel in stijl van de hakhoutstroken die hier in het landschap historisch thuishoren. Bij eventueel openhakken om forse doorzichten te krijgen in deze bosstrook ontstaat er hier helemaal geen zicht op een open weidelandschap ten westen van de A27, maar op het landgoed Perseyn, met hoog opgaand parkbos, vijverpartijen en historische zichtlijnen op de Dom van Utrecht. In de boomkruinen van dit parkbos zit als sinds vele jaren een reigerkolonie. Het voorstel in het deelrapport landschap en cultuurhistorie op pag 70 om forse doorzichten te maken, wordt dan ook door ons bestreden. Hier speelt het foutieve argument dat het ter plaatse om een open veenweide landschap zou gaan!

In 1981 zijn de singels en bosstroken van het Prinsenlaangebied geïnventariseerd door twee Utrechtse biologiestudenten. Toen waren er nog 14,5 kilometer lijnbeplanting aanwezig tussen de A234 en de dorpsrand van Maartensdijk.
Het verdwijnen van de bosstrook langs de A27 (westzijde) zal dan ook een verdere verschraling van de landschappelijke waarden betekenen. Ook op grond van de Boswet zou deze kap door herplant gecompenseerd moeten worden.

In het deelrapport landschap en cultuurhistorie (-het MER neemt deze teksten onverkort over-) wordt over het gebied nogal tegenstrijdig geschreven: enerzijds weids en open, anderzijds worden de vele houtwallen genoemd die zo kenmerkend zijn voor het gebied. Naar onze mening wordt er nogal willekeurig “geshopt” uit landschappelijke kernkwaliteiten, die elkaar op verschillende punten tegenspreken. Een dergelijke rapportage maakt alle ingrepen in het landschap mogelijk, omdat er naar willekeur argumenten gebruikt kunnen worden! Wij zijn van mening dat in het Ontwerp Tracé Besluit en het MER een eenduidige afweging over aantasten van het landschap thuishoort, dat op correcte landschappelijke kwaliteiten en historische juistheid is gebaseerd.
In dit geval gaat het met name om de aanwezigheid van singels en houtwallen op de kavelgrenzen!
Over de landschappelijke waarden van het Prinsenlaangebied bestaat -gelukkig- nergens in het Ontwerp Tracé Besluit discussie. Aantasten van dit landschap leidt tot aanzienlijk verminderen van de landschappelijke waarden. Dit staat ook geconcludeerd in de overzichtstabellen in het deelrapport “landschap en cultuurhistorie”: Enige verzachting is mogelijk door mitigerende en compenserende maatregelen.

Wij zijn het volstrekt eens met de noodzaak om herstel van houtsingels en houtwallen na te streven als maatregel vooraf gaand aan de ingrepen die de wegaanleg in dit gebied veroorzaakt. Niet alleen uit oogpunt van behoud en herstel van landschappelijke waarden, maar ook op grond van ecologische argumenten. De tegengestelde beweringen elders in de rapporten wijzen wij met kracht af.

 

De Boswet
Citaat uit het deelrapport landschap en cultuurhistorie pag 20  Voor de uitvoering van de Boswet door Rijkswaterstaat bestaat een Samenwerkingsovereenkomst (SO) tussen de Ministeries LNV-V&W uit 1995. Deze is per 1 januari 2000 vervangen door een herziene versie. In de Samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat beplanting 100% gecompenseerd wordt en dat de velling, de herbeplanting en de boscompensatie vooraf moeten worden opgenomen in een landschapsplan. Tussen dit
landschapsplan en de natuurwetgeving vindt een wisselwerking plaats, afhankelijk van het gebruik van
landschapselementen door beschermde soorten planten en dieren. Binnen het studiegebied van de A27 en A1
staan bomen en bos die onder de Samenwerkingsovereenkomst vallen. Lage struikvormige begroeiing zoals
heide valt niet onder de Samenwerkingsovereenkomst.

Citaat uit het MER, pag 194
Voor het aspect Landschap en Cultuurhistorie is compensatie aan de orde. De Boswet regelt de bescherming van
bos (meer dan 10 are en bomenrijen met meer dan 20 bomen) buiten de bebouwde kom en schrijft een
compensatieplicht voor. Voor Rijkswaterstaat is deze vervangen voor een Samenwerkingsovereenkomst tussen de
Ministeries LNV-V&W uit 1995 die in 2000 is herzien.

In de Samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat beplanting 100% gecompenseerd wordt en dat de velling, de
herbeplanting en de boscompensatie vooraf moeten worden opgenomen in een landschapsplan. Tussen dit
landschapsplan en de natuurwetgeving vindt een wisselwerking plaats, afhankelijk van het gebruik van
landschapselementen door beschermde soorten planten en dieren.
Binnen het studiegebied van de A27 en A1 staan bomen en bos die onder de Samenwerkingsovereenkomst vallen.
Lage struikvormige begroeiing zoals heide vallen daar niet onder. Het betreft circa 7 hectare bos in het
voorkeursalternatief en circa 4 hectare in het minimumalternatief. Compensatie is voorzien langs de A27 bij
voorkeur aan beplantingsstructuren parallel aan de weg in bebouwde omgeving, op plaatsen waar beplanting
aangetast wordt en bij aansluiting Hilversum.

Citaat uit het MER: pag 135,  Beide alternatieven zullen leiden tot aantasting van houtwallen, singels en bomenrijen langs de weg (zie Tabel 74) . Het voorkeursalternatief zal tot een iets grotere aantasting leiden, waardoor deze negatief scoort, waar
het minimumalternatief licht negatief scoort (zie Tabel 73). De score is niet zeer negatief, omdat de aantasting niet
leidt tot verdwijnen van elementen.
Op grond van de Boswet en de uitvoeringsafspraken tussen Rijkswaterstaat met de ministeries, dient het kappen van bos en bosschages dus 100% gecompenseerd te worden.
Wij komen in onderstaande tekst terug op de absolute noodzaak om de te kappen bosstroken vooraf gaand aan de wegwerkzaamheden te compenseren, niet alleen op grond van verplichtingen die voorvloeien uit de Boswet of uit oogpunt van landschappelijke waarden, maar ook met ecologische argumenten en op grond van de Flora en Faunawet. 
Het exacte oppervlak dat gekapt gaat worden in de bosstroken ten westen van de A27, tussen de snelweg en spoorlijn Utrecht-Hilversum is eigenlijk op grond van de plannen nog niet goed te bepalen. Op de digitale kaart die getoond wordt op de voorlichtingsavonden, blijft er van de bosstrook mogelijk op sommige stukken van het tracé een smal gedeelte over langs de spoorlijn, als de exacte breedte van het nieuwe wegtracé wordt ingetekend over de huidige aanwezige bosstrook.
Echter: in het deelrapport landschap en cultuurhistorie staat ook de volgende tekst:

Citaat pag 65 :  Verdwijnen beplantingen als gevolg van werkruimte aanleg wegverbreding
In de effectbeoordeling is het ruimtebeslag van de weg beoordeeld. Het is echter niet bekend of de aanleg van
de wegverbreding tot meer aantasting zal leiden van beplantingen dan het ruimtebeslag van de weg alleen.
Bijvoorbeeld omdat er werkruimte gecreëerd moet worden. Dit kan dan leiden tot een grotere aantasting van
landschapselementen en van invloed zijn op het criterium de beleving vanaf de weg en vanuit het landschap.

Wij gaan er dan ook in deze zienswijze van uit dat een eventueel resterende smalle strook, in de vorm van de laatste bomen en struiken die verspreid in de huidige bosrand staan- als deze smalle strook überhaupt al gehandhaafd mocht blijven tijdens de werkzaamheden- door het versnipperde karakter weinig landschappelijke of ecologische waarde meer heeft. De huidige forse bosstrook zal feitelijk verdwijnen als leefgebied, omdat er maximaal een ijl restant van verspreide bomen en struiken overblijft.
Wij zijn het dan ook niet eens met de conclusie in het MER dat er geen vermindering van ecologische waarden plaatsvindt,  doordat er misschien een smal restant blijft tussen het nieuwe tracé en de spoorlijn Utrecht Hilversum.  De forse bosstrook verdwijnt feitelijk als bosstrook, hetgeen direct tot vermindering van ecologische waarden leidt, en waarvoor compensatie noodzakelijk is

 

 

 

De inpassing van geluidswanden en andere industriële elementen in het landschap

Citaat deelrapport landschap en cultuurhistorie pag 71 : Het betreft ook de stedelijke inbedding in het landschap. Het landschappelijke karakter van de A27 wordt versterkt door de wegvakken die door stedelijk gebied gaan, als dat vanuit akoestisch oogpunt nodig is, zoveel mogelijk in te bedden in landschappelijke geluidswallen en stedelijke fronten bij bedrijventerreinen te vermijden. Beplantingsstructuren van het landschap worden hersteld en versterkt, markante oriëntatiepunten worden weer zichtbaar gemaakt en ecologische en recreatieve verbindingen worden hersteld.

Bij de wegverbreding behoren ook verschillende nieuwe industriële elementen, die op, boven en langs het wegtracé worden geplaatst. De weg moet naar onze mening op een logische manier worden ingepast in het omringende landschap. Wij hebben vernomen dat er een trend is om nieuwe geluidswanden e.d. in harde onnatuurlijke kleuren en opvallende materialen uit te voeren. Over deze trend staat niets in het Ontwerp Tracé Besluit vermeld. Mocht dit in de vervolgplannen als wenselijke optie worden uitgewerkt, dan wijzen we op hetgeen hierover in het deelrapport landschap en cultuurhistorie gezegd wordt, en dringen aan op uitvoering conform dit advies , namelijk met in het landschap passende elementen.

 

Plant- en diersoorten met beschermde status

Citaat uit het MER, pag 113  Biotoop beschermde soorten bij A27
Het ruimtebeslag op het biotoop van beschermde soorten is zeer negatief ten opzichte van de referentiesituatie.
Er is op meerdere plaatsen sprake van permanent ruimtebeslag (aanbrengen verharding) op het leefgebied van
das, hazelworm en ringslang (Tabel 3), dit is bepalend voor de eindscore zeer negatief van beide alternatieven.
Wat betreft foerageer- en leefgebied van de das en hazelworm wordt dit ruimtebeslag ruimschoots opgevangen
door het verwijderen van de oude lus in Aansluiting Hilversum.  ………………….
Ten aanzien van vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen (Gewone dwergvleermuis en laatvlieger-Tabel 3) worden geen effecten door ruimtebeslag voorzien……………..Aanwezigheid van levendbarende hagedis en kleine modderkruiper (Tabel 2) is vastgesteld binnen de projectgrens. Ten aanzien van levendbarende hagedis wordt verlies van leefgebied opgevangen door het verwijderen van de oude lus in Aansluiting Hilversum……….. Ten aanzien van kleine modderkruiper worden alleen watergangen verlegd zodat er geen permanent verlies van leefgebied is. Effecten op de gunstige staat van instandhouding zijn niet aan de orde. Een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet is noodzakelijk als er geen mitigerende maatregelen worden getroffen.

In het deelrapport natuur wordt een aantal beschermde soorten planten en dieren specifiek genoemd. De bronnen van deze lijsten worden niet vermeld. Wij hebben door onze plaatselijke bekendheid een goed beeld van welke planten en dieren er in “ons” gebied voorkomen. Deze dieren worden ook regelmatig gemeld op de nationale website  www.telmee.nl . Hieronder geven we de volgende aanvullingen.

De Zwanebloem heeft een bekende groeilocatie in de watergangen ten westen en ten oosten van de A27; zij is een indicatie voor de goede waterkwaliteit in voedselrijk water.  (p 11, deelrapport natuur)
Vleermuizensoorten komen er in grote aantallen voor; de Gewone Dwergvleermuizen gebruiken alle houtopstanden oost en west van de A27, en passeren onder de viaducten. Van de meer zeldzame vleermuizen, worden de Ruige Dwergvleermuis, de Laatvlieger, en de Franjestaart en Baard Brandt’s vleermuis gesignaleerd in het gebied, ze gebruiken mogelijk (aldus het rapport) de houtopstanden aan de westzijde als vliegroute tussen Utrecht Noord en Hollandsche Rading. Deze houtopstanden worden volgens de plannen vrijwel volledig gerooid, waardoor het leefgebied van deze soorten verdwijnt.
Alle dichtbegroeide ruige bermen langs de A27, dat geldt in ons gebied voor zowel de oost als de westzijde, zijn leefgebied voor Bosmuis, Veldmuis, Bosspitsmuis, Huisspitsmuis. De zeldzame Dwergmuis wordt niet specifiek genoemd, maar deze is elders in het gebied wel degelijk aangetroffen. Deze wordt ook slechts bij toeval gevonden in de dichte ruige grasbeplantingen, het dier heeft een nest ter grootte van een tennisbal van dicht gevlochten gras.
Ringslang en Hazelworm worden algemeen in het hele gebied gevonden, ook in de bermen langs de snelweg; dit wordt ten onrechte niet vermeld in de lijst op pag 12-13, deelrapport natuur. Wel wordt elders vermeld, dat het een mogelijk leefgebied is; wij kunnen dit positief bevestigen. De Kleine Salamander komt  algemeen voor in het gebied; de Kamsalamander verschijnt overal waar nieuwe poelen worden aangelegd. Deze was in het verleden algemeen in het gebied en is nu zeldzaam en bedreigd door het verdwijnen van de poelen en dempen van sloten ten behoeve van de landbouw.
Tenslotte is er tussen Groenekan en Maartensdijk een bekend leefgebied van de Kleine Modderkruiper, die o.a. voorkomt in de watergangen nabij de snelweg A27. Deze vis is totaal beschermd bij de wet, kenmerkend voor fijne modderige bodems. Ook is deze vis een indicator voor schoon voedselrijk water van goede kwaliteit.
Tot onze verbazing wordt het voorkomen van Reeën nergens vermeld voor het Prinsenlaangebied, terwijl deze hier algemeen voorkomen. Ze worden herhaaldelijk gesignaleerd langs de A27, en gezien bij het passeren onder het viaduct van Maartensdijk (Dorpsweg). Wij hebben een foto van een ree, gespot bij de dassenburcht in de bosstrook ten oosten van de A27

 

ree

 Ree in de bosstrook langs de A27 ,omgeving Nieuwe Wetering       Foto Ton Meijer

 

De soortenrijkdom in de directe omgeving van de A27 is opvallend en zeer gevarieerd. Dit duidt op een hoge ecologische waarde, en een stabiele biotoop.
We vinden het dan ook onbegrijpelijk dat de bosstrook ten westen van de A27, tussen de snelweg en het spoor Utrecht-Hilversum, gerooid wordt zonder voorafgaande compensatie. In het Ontwerp Tracé Besluit wordt hierover slechts gemeld, dat “het leefgebied van de flora en fauna ernstig schade….  wordt toegebracht”. (pag 15 deelrapport natuur).
In het rapport staat kortweg dat er ( op macro niveau) voldoende compensatie komt in de vorm van nieuwe natuur, die ontstaat bij verkleinen van de aansluiting bij Hilversum. Hier komt op termijn een heidegebied terug, zoals dat er ook was voordat deze wegaansluitingen enkele tientallen jaren geleden werden aangelegd. Deze –indertijd voor de aanleg van de wegaansluitingen verdwenen heide - wordt nu weer teruggegeven aan de natuur bij wijze van “compensatie”!
Maar voor de flora en fauna van de ruige bosstroken in het gradiëntrijke poldergebied tussen Groenekan en Hollandsche Rading, vormt dit heidegebied geen alternatief. Het merendeel van de aanwezige beschermde soorten kan daar niet leven; het is een totaal ander biotoop en bovendien ligt het nieuwe gebied veel te ver weg om naartoe te kunnen vluchten als de werkzaamheden beginnen. Ook is er geen enkele mogelijkheid voorzien voor de kleinere dieren in de ruige polderbosstrook om in de nabijheid van hun huidige biotoop andere leefgebieden te vinden. Bovendien ontstaat het nieuwe natuurgebied pas nadat de werkzaamheden aan de weg zijn afgerond. Er moeten van tevoren goede alternatieve en bereikbare leefgebieden gecreëerd worden voor de aanwezige (beschermde) soorten als hun leefgebied wordt aangetast of opgeheven.

 

Flora en faunawet

Citaten over hoe de flora en faunawet wordt toegepast (pag 55 tot 60 van de Toelichting):
Conclusies soortbescherming (zonder mitigerende maatregelen) Overtreding van verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet zijn langs de A27 ten aanzien van das, dwergvleermuis, kleine modderkruiper, levendbarende hagedis,
hazelworm en ringslang niet vooraf uit te sluiten. Mitigerende maatregelen of de aanvraag van een ontheffing, voorafgaand aan de ingreep voor deze soorten in het kader van de Flora- en faunawet zijn dan ook noodzakelijk. Mitigerende maatregelen
zullen via een “pro forma” ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, teneinde een positieve afwijzing te kunnen ontvangen. Mitigerende maatregelen zijn uitgewerkt in hoofdstuk 8 van het Deelrapport Natuur………………..

Direct ten noorden van Groenekan liggen watergangen waarin kleine modderkruiper voorkomt. Doordat het hier slechts om enkele exemplaren gaat en de soort geen afnemende trend kent, komt de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar.
Namelijk, aangezien het waterrijk gebied is kan de soort in het hele gebied van laag Utrecht en laag Noord-Holland voorkomen. Vrijstelling voor overtredingen van verbodsbepalingen van Artikel 9, 10 en 11 van de Flora- en faunawet, die het
gevolg kunnen zijn van de ingreep, is ten aanzien van kleine modderkruiper niet mogelijk zonder een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet is voor de uitvoering van de
werkzaamheden noodzakelijk, tenzij tijdens de uitvoering een werkprotocol in acht wordt genomen.
Levendbarende hagedis, hazelworm en ringslang hebben hun leefgebied in de bermen tussen Hollandsche Rading en knooppunt Eemnes, met name in de regio rondom De Bosberg (voormalige verzorgingsplaats) en ten oosten van Hilversum
(omgeving Drakenburgh). Het leefgebied van deze soorten zal worden aangetast.
Binnen de ontwerpgrens vallen drie vindplaatsen van levendbarende hagedis. Hun leefgebied, ter hoogte en ten noorden van de voormalige verzorgingsplaats De Bosberg, zal worden vernietigd.
De hazelworm komt op een aantal plaatsen voor binnen de ontwerpgrens. Het leefgebied van deze soort zal eveneens worden aangetast.
De ringslang gebruikt de wegberm nabij de voormalige verzorgingsplaats De Bosberg en ten zuiden van de spoorlijn Hilversum-Amersfoort om te zonnen. De huidige zonplekken zullen verloren gaan, er zijn in de directe omgeving echter
voldoende alternatieve geschikte zonplaatsen, en de nieuwe berm zal eveneens geschikte zonlocaties bieden.
Door de verwijdering van de aansluitingsknoop van aansluiting Hilversum wordt daarnaast een gebied met heidevegetatie ontsloten, dat ruimschoots het verlies aan leefgebied goedmaakt voor de levendbarende hagedis en de hazelworm: er is netto
geen verlies van oppervlakte leefgebied. Voor de ringslang speelt geen verlies van leefgebied, er blijven voldoende geschikte zonlocaties over in de directe nabijheid van de locaties die verloren gaan.

Op grond van de Flora en Faunawet, wordt geregeld in artikel 1 en de daaraan afgeleide bepalingen, dat onder “soort” ook de “geografisch onderscheiden populatie” wordt bedoeld. Alle nadelige gevolgen voor de functies van een territorium (dwz het grondgebied waar de dieren leven)  moeten dus op grond van de wet voor de territoriumpopulatie vooraf worden gemitigeerd.  In het document 'Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet' , staat op pagina 4 bij de beoordelingscriteria dat alle nadelige kwantitatieve of kwalitatieve nadelige gevolgen moeten worden voorkomen.
Het kappen van de bosstrook en het verdwijnen van de deels vochtige, ruige biotopen in deze strook aan de westzijde langs de A27 zal veel van de daar levende beschermde diersoorten zonder enige uitwijkmogelijkheid op die locaties/territoria uitroeien, als er niet tevoren een nieuwe vochtige, ruige  dichtbegroeide bosstrook in de directe nabijheid wordt aangelegd, waar de dieren naartoe kunnen uitwijken. Uiteraard dient er ook gezorgd te worden voor een veilige passage naar zo’n nieuwe locatie.

We bestrijden met kracht de argumentaties zoals in bovenstaande citaten. Het is geen correct argument om te beweren dat een soort op andere plaatsen nog voldoende voorkomt (Kleine modderkruiper) of dat er in de omgeving voldoende leefgebied gevonden kan worden en er vanzelf voldoende alternatieven ontstaan door de wegaanleg (Ringslang). Dergelijke argumenten zijn in strijd met de Flora en Faunawet.
De scoringsmethodiek ruimtebeslag die wordt gebruikt voor de ingrepen in het biotoop van beschermde soorten is dan ook niet correct. Voor elke soort is dezelfde- laagste categorie-  tabel 1 gekozen, terwijl er drie verschillende zwaartes in de flora en faunawet zijn. Voor soorten uit de derde tabel dient een zwaardere afweging te worden gehanteerd, bestaande uit drie criteria. Aan alle criteria moet voldaan worden ( nl: voor het verkrijgen van ontheffing moet sprake zijn van een bij de wet genoemd belang, er moeten geen alternatieven gevonden kunnen worden en er mag geen afbreuk gedaan worden aan de gunstige staan van instandhouding van de soort)

 

Wij zijn dan ook van mening dat compensatie van de te kappen ruige bosstrook ten westen van de A27 op grond van de Flora en Faunawet – in geval van een positief antwoord op een ontheffingsaanvraag-  opgelegd moet worden. Zo kan bijvoorbeeld ten oosten van de A27 een nieuwe, robuuste, deels vochtige ruige bosstrook aangelegd worden. Dat is goed mogelijk door de bomenrijen te verlengen en ter plaatse te voorzien van een flinke ondergroei van struiken. De bestaande watergang aan de oostzijde van de A27 kan voorzien worden van natuurvriendelijke oevers. Daardoor wordt de ecologische waarde van deze watergang versterkt. Als in de nieuwe bosstrook ook enkele kleine poelen worden gegraven (stilstaand water met zandige oevers), wordt de ecologische waarde  daarmee verder verbeterd en kan een vervanging ontstaan voor de te verdwijnen bosstrook aan de oostzijde.
Het is van belang dat de eenvoudige en weinig beschutte faunapassage over het viaduct N417 –spoorlijn-  A27 - N234 ook tevoren robuuster wordt gemaakt door meer beschutting en ruigte aan te brengen. Dit geeft de dieren meer kans om veilig te migreren.

In algemeenheid willen wij nog stellen, dat in het MER en OTB een overzichtskaart van compensatiegebieden ontbreekt, waardoor onduidelijk is waar deze gebieden zich bevinden ten opzichte van het plangebied. Dit is echter wel van belang vanwege het nabijheidbeginsel voor de te nemen compensatiemaatregelen. Wij vinden dat een dergelijke overzichtskaart moet worden bijgevoegd.

 

De Dassen

Citaat uit de Toelichting pag 56-60
Bij Maartensdijk komt leefgebied van de das voor, binnen de ontwerpgrens. Door de wegverbreding worden twee bestaande dassentunnels (km 87,25 en km 89,32) onder de A27 onbruikbaar indien er geen maatregelen worden getroffen. Hierdoor is
er sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Flora- en faunawet. Ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet is noodzakelijk indien geen mitigerende maatregelen worden genomen.
Daarnaast wordt door de verwijdering van de aansluitingsknoop van aansluiting Hilversum een gebied met heidevegetatie ontsloten, dat ook ten goede komt aan het leefgebied van de das.
Om de barrièrewerking van de A27 te verzachten worden in het wegontwerp voor behoud van het leefgebied van das de volgende maatregelen getroffen:
-  De aansluiting Hilversum ombouwen tot een compactere aansluiting als een zogenaamde Haarlemmermeer. Door de verwijdering van de bestaande lus in de huidige aansluiting wordt een groot obstakel voor migrerende dieren, zoals de
das, weggenomen; aldus wordt een gebied met heidevegetatie en houtopstanden ontsloten dat ruimschoots het verlies aan foerageergebied goedmaakt en toegankelijk en geschikt is voor onder meer de das.
-  Het verlengen van twee dassentunnels onder de A27 ten noorden en ten zuiden van Maartensdijk (km 87,25 en km 89,32). Deze verlenging gaat naar verwachting niet ten koste van de functionaliteit.

Citaat uit het deelrapport natuur pag 71
…….. locatie van de hoofdburcht nabij het viaduct Nw Wetering  wordt beschreven …………… bevindt zich een belopen dassenburcht.
Deze burcht staat in verbinding met de ecologische verbinding welke ten behoeve van mede de das (Tabel 3 Ffwet)
is aangelegd langs de N234 op het viaduct over de A27. Tweemaal is hier vastgesteld dat een drietal dassen
gebruik maakten van de hier aanwezige dassentunnel onder de N417. Deze burcht is de kraamburcht, en vormt de
spil in het netwerk van wissels en bijburchten.
In de oostelijke wegberm tussen Maartensdijk en Nieuwe Wetering zijn eveneens sporen (prenten) van das
aangetroffen. Hier wordt de wegberm tussen de snelweg en de bermsloot (en faunaraster) mogelijk incidenteel
gebruikt als foerageergebied en migratieroute.
Ten oosten van de bermsloot ter hoogte van km 87,2 is een kleine bijburcht aangetroffen in het verhoogde stukje dat door RWS is beplant met bomen. De burcht ligt op enkele tientallen meters van het asfalt. Het gebruik van deze burcht is tijdens de onderzoeksperiode niet vastgesteld, maar kan niet worden uitgesloten. Deze bijburchten worden slechts in bepaalde perioden gebruikt, bijvoorbeeld wanneer er een goede voedselbron in de omgeving is (rijp maïs). De hier aanwezige wissels leiden richting een loopplank over een sloot richting de oostelijk gelegen maïsakkers.
Direct voor de faunapassage (km 87,25) is los gras aanwezig. Onderzoek met behulp van cameravallen heeft
aangetoond dat de faunavoorziening onder de A27 ter hoogte van Km 87,25 tevens in gebruik was door dassen. Er
is vastgelegd dat de das pollen gras de pijp in brengt. Ook is de bodem van de pijp bedekt met gras. Dit duidt op het
mogelijk gebruik van de passage als verblijfplaats [Macdonald et al., 1993 in E.C.O. Logisch, 2009a]. Dassen
gebruiken soms tijdelijke verblijfplaatsen in de buurt van voedselrijke foerageergebieden, het zogenaamde
‘subsidairy’ [Verkem et al., 2003 in E.C.O. Logisch, 2009a].
Aan de westzijde is bij deze faunavoorziening een wissel zichtbaar. Deze wissel loopt langs het faunaraster in zuidelijke richting. Aanvullend onderzoek door Bureau Mulder-natuurlijk [44] heeft uitgewezen dat er in juli 2010 geen aanwijzingen meer waren dat de pijp als tijdelijke burcht wordt gebruikt.
Tussen Hollandsche Rading en Maartensdijk zijn sporen van das in de wegberm aangetroffen. Aan de oostzijde betreft het een wissel, welke in een rechte lijn van de faunavoorziening naar de brug over de bermsloot loopt. Das is meerdere malen foeragerend in de berm waargenomen ter hoogte van de aansluiting Hilversum. De wegberm en terreinen tussen de verbindingswegen worden hier aan weerszijden van de A27 gebruikt als foerageergebied. Op voormalige verzorgingsplaats Bosberg zijn (sporen van) foeragerende dassen waargenomen.

Citaat uit het MER pag 113:
Door de wegverbreding worden twee bestaande dassentunnels onder de A27 onbruikbaar (km 87,25 en 89,32).
Daarnaast werd de dassentunnel ter hoogte van km 87,25 in het verleden benut als een (periodieke) verblijfplaats
voor de das. Aanvullend onderzoek door Bureau Mulder-natuurlijk heeft uitgewezen dat er in juli 2010 geen
aanwijzingen meer waren dat deze pijp als tijdelijke burcht wordt gebruikt. Van ruimtebeslag op burchten is daarom
geen sprake. Voor de verstoring van de dassentunnels is er -als er geen mitigerende maatregelen worden
getroffen- sprake van overtreding van verbodsbepalingen Artikel 10 en 11 van de Flora- en faunawet.

Uit bovenstaande citaten blijkt, dat de aanwezigheid van Dassen, dassenburchten en wissels, en de relevantie van de directe omgeving voor de dassen in het prinsenlaangebied gebagatelliseerd wordt. Er wordt zelfs gesteld, dat er door het project “geen ruimtebeslag op burchten” aanwezig is, omdat de tijdelijke bewoning van een tunnel onder de A27 inmiddels voorbij is. Wij vinden dit een onjuiste voorstelling van zaken, die ook bevestigd wordt door de teksten in het deelrapport natuur: burchten en wissels langs de A27 worden actief gebruikt, en de Dassen laten zich regelmatig zien.

 Wat de Dassen betreft vormen de bermen van de A27 tussen Groenekan en Maartensdijk namelijk een bijzondere biotoop. Er bevindt zich een hoofdburcht nabij de A27 in de buurt van het viaduct van de afslag Bilthoven/Maartensdijk , die het centrum vormt van een netwerk van burchten en wissels in de directe omgeving van de A27. De Dassen foerageren in de bermen en weilanden ten westen en ten oosten van de A27, waar ze hun hoofdvoedsel vangen, bestaande uit regenwormen. Ook bezoeken ze verschillende maïsvelden als de maïs rijp is. De dassentunnel bij de dorpsrand van Maartensdijk, en de faunapassage over het viaduct van Nieuwe Wetering, worden druk gebruikt, evenals de passage onder de N 417 (Wilhelminaweg).  Er zijn op verschillende plaatsen in de omgeving van het tracé burchten, niet alleen zoals beschreven vlak bij de weg, maar ook verderop in het boerenland gelegen. Een van deze burchten hebben wij in december 2008 laten registreren door de vereniging Das en Boom (nabij het Oostveense pad), daarmee kon bevestigd worden dat de Dassen het gehele gebied tussen A234, N 417 en dorpsrand van Maartensdijk als leefgebied gebruiken. We hebben een recente foto van twee dassen ter plaatse op hun hoofdburcht nabij de A27.

We bestrijden dan ook met kracht de opvatting van de aanwezige deskundigen op de informatieavond op 23/11/2010, dat de Dassen niet meer aanwezig zouden zijn op de burchten in de omgeving van de A27 en er dus geen belemmeringen zijn voor het verwijderen van de huidige taluds en bosstrook. Een bewering die zou kunnen worden afgeleid uit de tekst in de MER!
We zijn tevens van mening dat het geen argument is, om te beweren dat het op te heffen leefgebied van de aanwezige dassenclan nieuwe ruimte krijgt door de aanleg van het heidegebied bij Hilversum (heide die ontstaat door wijzigen van de aansluiting in een zgn. Haarlemmermeer aansluiting). De Dassen leven in territoria in burchten nabij hun voedselgebied, namelijk goed bemeste wormenrijke weilanden. De omgeving van de Hilversumse op en afritten is in gebruik bij een andere clan, die indringers niet zal toelaten. Ook is dit gebied niet binnen redelijke afstand voor de dieren bereikbaar.

das

Dassen bij hun burcht, omgeving Nieuwe Wetering.   foto Ton Meijer, infrarood camera  

Bovendien is een dergelijke bewering in strijd met de Flora en Faunawet: eerder werd door ons al uitgelegd dat op grond van de Flora en Fauna wet iedere aantasting van het leefgebied van een territoriumpopulatie verboden is. Compensatie achteraf door aanleg van een nieuw heidegebied is geen optie en in strijd met de wet. We vinden dan ook dat de hoofdburcht in de omgeving van de afslag Bilthoven/Maartensdijk absoluut beschermd moet blijven en dat de bestaande dassenpassages onder en over de snelweg  tevoren versterkt moeten worden. Voor begin van de werkzaamheden zou ook gecontroleerd moet worden of de aangepaste passages daadwerkelijk functioneren! Uiteraard moet er sprake zijn van werkprotocollen tijdens de werkzaamheden aan de weg, ook al zijn deze protocollen nog niet geformaliseerd.
Een complicatie is, dat de plannen met het viaduct bij de afslag Bilthoven/Maartensdijk nog onbekend zijn, en dat er in het Ontwerp Tracé Besluit nauwelijks over gesproken wordt, behalve dat het viaduct moet worden vervangen. We hebben in de volgende paragraaf aangegeven dat dit een ontbrekend onderdeel is in de plannen; en zeker de aanwezige dassenburcht kan bij het ontwerp van het nieuwe viaduct gemakkelijk sneuvelen op de tekentafel.
Bij het ontwerpen van het A27 viaduct en de op- en afritten en aansluitingen op andere kunstwerken zal rekening gehouden moeten worden met het aanwezige leefgebied van de Dassen.

 

 

 

 Het viaduct /de kunstwerken bij afslag Bilthoven/Maartensdijk

De plannen met het viaduct ( de “ovonde”) dat tussen de N417 over de spoorlijn Utrecht-Hilversum aansluit op de op- en afritten van de A27 en de N234, zijn nog onduidelijk.
In de documenten is slechts het volgende te vinden:

  • in het OTB wordt in ieder geval op p.6 in tabel 1, onder 3/3a aangegeven dat het viaduct bij de Nieuwe Weteringseweg wordt vervangen. Er komt daar dus een geheel nieuw kunstwerk.
  • in het MER wordt op een zelfde manier deze vervanging van het viaduct aangegeven bij de verschillende alternatieven, inclusief de eventuele aanpassing van toe- en afritten. Voor het Voorkeursalternatief staat dit in de tabellen 18 en 19 (P.64 en verder), waarbij ook is aangegeven wat de nieuw lengte en breedte worden, namelijk 18,9 meter breed en 60,0 meter lang. Voor het Minimumalternatief staat dit aangegeven in de tabellen 20 en 21 (p. 68 en verder).

 

Daarmee is slechts op hoofdlijnen duidelijk wat er op deze plek met het viaduct gaat gebeuren. Een concrete uitwerking en ontwerp van het viaduct is daar echter nog niet bij gepresenteerd.
Op de kaart B04-Te-205-D01  in de bijlagen bij het OTB eindigen de voorgenomen verbredingen van de op- en afritten van de A27 bij de afslag Bilthoven/Maartensdijk (afslag 32) naar dit viaduct in een abrupte leegte.
Op het viaduct is een belangrijke faunapassage gelegen, die in ieder geval behouden moet blijven, en dusdanig afgeschermd moet worden als het viaduct afgebroken wordt, dat deze blijft functioneren. De passage kan dan ook meteen versterkt worden en robuuster gemaakt. Bovendien ligt er in de nabijheid van het viaduct een hoofdburcht van de dassenpopulatie in dit gebied. Verstoring van deze burcht, of zelfs laten verdwijnen onder nieuwe tracé gedeelten (zoals op de informatieavond werd uitgelegd als het viaduct wordt vergroot), is beslist in strijd met de Flora en Faunawet. De bosschages nabij het viaduct vormen, behalve bekend leefgebied van de dassen, ook een belangrijk leefgebied van verschillende beschermde diersoorten (zie boven).
Door het ontbreken van concrete plannen voor het viaduct is het nu niet mogelijk aanvullingen of alternatieven in de vorm van een zienswijze aan te bieden. We willen met het indienen van deze zienswijze expliciet aangeven dat er in de planvorming rekening gehouden moet worden met de grote ecologische waarde van de taluds, stukken bos en de faunapassage. We willen op de hoogte gesteld worden van de plannen voor het viaduct/ de kunstwerken en de aansluitingen van de nieuwe op- en afritten, als deze nader worden ingevuld, en de mogelijkheid hebben om daarop te reageren voordat de definitieve besluitvorming plaatsvindt. Pas als de plannen nauwkeurig bekend zijn, kan een goede beoordeling plaatsvinden van de effecten op de directe leefomgeving van de aanwezige fauna.

 
De aansluiting op de Ring Utrecht

In het OTB ontbreekt geheel een toetsing van de plannen -die waarschijnlijk noodzakelijk zijn- tot verdere verbreding van de A27 tussen Utrecht-Noord en de afslag Bilthoven/Maartensdijk naar meer dan 2x3 rijstroken en aangepaste op en afritten en viaducten. De betreffende passages worden hieronder opgenomen:

”Ring Utrecht
De keuzes die gemaakt worden in de planstudie Ring Utrecht hebben invloed op het ontwerp voor de A27. Een
vergroting van de capaciteit op de Ring Utrecht heeft tot gevolg dat de I/C verhoudingen op de A27 tussen de
aansluitingen Ring Utrecht Noord en Bilthoven verder toenemen en een capaciteitsuitbreiding tot 2x4 wenselijk
is. Een eventuele uitbreiding van de capaciteit op de A27 als gevolg van wijzigingen aan de Ring Utrecht wordt
echter in de planstudie Ring Utrecht meegenomen.”” Deelrapport  Ruimtegebruik pag 10
“” Hoewel de A27/A1 een relatie heeft met de Ring Utrecht, is er niet voor gekozen om deze twee studies aan elkaar te koppelen. Omdat wegen altijd met elkaar in verbinding staan, is er per definitie een relatie tussen de wegen. Om te voorkomen
dat de besluitvorming en realisatie inzake de A27/A1 moeten wachten op de volgens planning veel latere besluitvorming en realisatie inzake de Ring, en tevens om de studielast van de verschillende planstudies beheersbaar te houden, is de keuze
gemaakt om deze twee studies op een logisch punt te knippen. Dit is de aansluiting Ring Utrecht-Noord (31) waarbij de A27/A1 als randvoorwaarde heeft dat de aanpassingen in de aansluiting zelf zo minimaal mogelijk zijn.Toelichting pag 15

- Het grootste verschil in effecten tussen 2x3 en 2x4 rijstroken treedt op tussen Utrecht-Noord en Bilthoven. Bij een verbreding naar 2x4 rijstroken op dit traject moet de aansluiting Utrecht-Noord opnieuw worden vormgegeven en moeten de
benzinestations worden verplaatst met relatief veel extra ruimtebeslag op de naastgelegen gronden  ‘’. Toelichting pag 18

Wij zijn van mening dat ten onrechte de opties en effecten van een verdere noodzakelijke wegverbreding in het tracé benoorden de afslag Utrecht Noord niet worden getoetst, zeker nu bekend is gemaakt ( 4 december 2010) dat het besluit genomen is om de oostelijke ring van de A27 Utrecht te verbreden naar 2x 7 rijstroken. Er komt wel degelijk verdere druk te liggen op het weggedeelte tussen Utrecht Noord en de afslag Bilthoven/Maartensdijk. Bij een verdere wegverbreding aldaar zal ook de aansluiting bij het viaduct van de Nieuwe Wetering (afslag Bilthoven/Maartensdijk) verder verbreed moeten worden. We hebben bezwaar tegen de keuze om alleen minimale aanpassingen aan het weg tracé te toetsen. De bezwaren die wij nu al aanvoeren uit landschappelijke en natuuroverwegingen zullen groter worden, en de mitigerende en compenserende  maatregelen zwaarder en wellicht moeilijker te realiseren of kostbaarder. De effecten op de natuur zijn –zelfs bij keuze voor de minimale variant- al buitengewoon groot en onaanvaardbaar ingrijpend.  Het maakt bovendien het indienen van een zienswijze op dit punt onmogelijk, omdat de plannen nog zullen worden herzien.

Lichthinder

Over verstoring door licht wordt het volgende vermeld: “er zijn geen ingrijpende wijzigingen voorzien” (pag 56 deelrapport natuur). Niet alleen vleermuizen en broedvogels hebben last van de intense nachtelijke verlichting van de snelweg, maar ook mensen en andere plant- en diersoorten hebben er last van. Door het licht wordt, zoals uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken, het bioritme verstoord.
Vele jaren geleden, bij de aanleg van de A27 in de zeventiger jaren, is toegezegd, dat het licht gedimd zou worden tijdens de nacht. Dat is nooit gebeurd. Wij vinden de herziening van het tracé een goede gelegenheid om dimmen van het licht ‘s nachts technisch mogelijk te maken en ook daadwerkelijk te realiseren.
In het document ” Toelichting” wordt vermeld, dat de verlichting van de A27 zal verbeteren ten opzichte van de huidige situatie:

citaat pag 47  Toelichting:  De verlichting wordt uitgevoerd conform het “Uitvoeringskader openbare verlichting” van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu:
- Bij de aanpassing van de bestaande wegverlichting wordt gekozen voor vervanging door dynamische wegverlichting, deze kan gedimd worden als de omstandigheden het toelaten.
De verlichting brandt in ieder geval bij calamiteiten, werkzaamheden en slecht zicht als gevolg van weersomstandigheden.
- De verlichting brandt eveneens als de spitsstrook open is en er onvoldoende daglicht is voor de visuele inspectie en bewaking van de spitsstrook en/of het veilige gebruik van de weg.
- De verlichte ruimte wordt beperkt door toepassing van aangepaste armaturen waarmee lichtstralen op de rijbaan gericht worden en uitstraling naar de berm geminimaliseerd wordt.
Door het realiseren van dynamisch dimbare verlichting in de projectsituatie is er een verbetering ten opzichte van de huidige situatie en referentiesituatie.

Citaat MER pag 121 : Door de verbreding van de weg in het voorkeursalternatief en het minimumalternatief komt er een andere
lichtbehoefte. De verlichting zal geheel worden vervangen bij de voorgenomen ingreep. Met de nieuwe verlichting
zal de lichtstraal beter gebundeld kunnen worden en zal daardoor minder uitstraling plaatsvinden.
Ook kunnen er dan aanvullende eisen worden gesteld bij ecologische verbindingszones waardoor deze plekken zo
donker mogelijk zijn.

Elders staat in de toelichting dat de armaturen geplaatst worden in de middenberm, en dat de lichtstraal naar beneden wordt gericht, om verstoringen voor de dieren te beperken.
Wij willen erop aandringen dat, behalve de verbeteringen die door de nieuwe verlichting kunnen worden bereikt om de lichthinder te beperken, ook daadwerkelijk de wegverlichting gedurende de nacht gedimd wordt!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Conclusies ten aanzien van onvolledigheid van de informatie in het Ontwerp Tracé Besluit/Milieu Effect Rapport

 

In bovenstaande hebben wij aangetoond dat het Ontwerp Tracé Besluit en het Milieu Effect Rapport op verschillende punten onvolledig zijn. Diersoorten die beschermd worden door de Flora en Faunawet en die met zekerheid in het gebied aanwezig zijn, ontbreken in de lijsten van beschermde en bedreigde soorten of worden in een lagere categorie van bescherming geplaatst. Wij vinden dat daarmee de schade aan de natuur onterecht te klein wordt voorgesteld.

De conclusies voor de landschappelijke beschrijving kloppen niet voor het gebied tussen Utrecht Noord en Hollandsche Rading of spreken elkaar tegen: het is geen open weidelandschap, waar het uitzicht geforceerd moet worden opengehakt. Integendeel: behoud en herstel van de aanwezige singels en houtwallen moet worden nagestreefd. We vinden dat er een eenduidig en op correcte aannames gebaseerd landschapsplan hoort te zijn, waarin het belang van de houtwallen en singels is opgenomen.

De plannen voor het viaduct bij de afslag Bilthoven/Maartensdijk ontbreken volledig, waardoor het niet mogelijk is de ingrepen die daar ongetwijfeld gaan plaatsvinden te toetsen. Wij vinden dat op de ontwerpen voor dit viaduct en de aansluitingen alsnog zienswijzen, bezwaar en beroepsprocedures van toepassing moeten zijn.

Ook is nergens duidelijk welke ingrepen er verwacht kunnen worden doordat er meer ruimte nodig is dan nu strikt voor het te verbreden tracé is gepland vanwege benodigde “werkruimte”.
Wij vinden dat ook “werkruimte”een ingreep vormt, en meegewogen moet worden in de milieueffecten. Deze worden daardoor groter dan nu in de stukken staat.
 
Voorts vinden wij een compensatie op macro niveau voor het vernietigen van leefgebied van beschermde soorten in de aanwezige ruige polder(bos) biotopen door een (droog) heidebiotoop in strijd met de Flora en Faunawet.  Compensatie van een te vellen bosstrook aan de westzijde zou op lokaal niveau goed mogelijk zijn door aan de oostzijde van de A27 een robuuste, ruige bosstrook aan te leggen, waarin enkele poelen en natuurvriendelijke oevers langs de aanwezige watergang kunnen worden gerealiseerd. Uiteraard mits veilig bereikbaar via eveneens robuuste faunapassages.

In het bovenstaande hebben wij ook gewezen op de onterechte keuze voor minimale wegverbredingen in relatie tot de plannen voor de Ring Utrecht. Het was al langer bekend dat daar de oostvariant de voorkeur had, - en recent is ook het besluit bekend gemaakt dat hier 2x7 rijstroken gaan komen-  waardoor er zeker druk zal komen op verdere aanpassing van het tracé Utrecht Noord- afslag Bilthoven/Maartensdijk en het bijbehorende viaduct bij Nieuwe Wetering. Deze plannen moeten alsnog ontwikkeld worden, en wij vinden dat ze bekend gemaakt moeten worden compleet met de mogelijkheid tot zienswijzen, bezwaar en beroep.

Tenslotte vinden we het onaanvaardbaar dat belanghebbenden het door een overkill aan documentatie schier onmogelijk gemaakt wordt om een goed beeld te krijgen van de plannen en de milieueffecten. Alle informatie moet ook binnen een bijzonder korte tijdspanne worden doorgewerkt en voorgelegd aan deskundigen.  En dat terwijl er veel onnodige redundante informatie in de documenten zit! Wij vinden dat inspraak op deze wijze belemmerd wordt, en dat is in strijd met de wet en regelgeving in ons land.

Naar onze mening leidt het weglaten van onderwerpen die in het kader van het besluit over het ontwerp tracé van wezenlijk belang zijn voor het beoordelen van de aantastingen van natuur, landschap en milieu, tot een onmogelijke wettelijke situatie voor burgers/belanghebbenden. In het kader van de crisis en herstelwet wordt namelijk het volgende voorgeschreven (in bijlage II indienen zienswijze):

Op dit besluit is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit heeft consequenties voor de fase van beroep tegen het definitieve besluit. Dit betekent dat de belanghebbende direct in het beroepschrift moet aangeven welke bezwaren hij tegen het besluit heeft en dat hij deze bezwaren na afloop van de beroepstermijn niet meer kan aanvullen.

Wij maken met klem bezwaar tegen de bovengenoemde door ons aangetoonde onvolledigheid die de plannen thans hebben.  We vinden dat te allen tijde nieuwe onderdelen van het plan openbaar gemaakt moeten worden voordat er definitieve besluiten genomen worden, opdat de mogelijkheid blijft bestaan dat ze  van een toepasselijke zienswijze en beroepsprocedure kunnen worden voorzien. Wij willen hiermee voorkomen dat er ongesanctioneerde ingrepen kunnen worden gedaan in het landschap en stilzwijgend planten en dieren kunnen worden vernietigd zonder dat daar enige zienswijze en bezwaar tegen mogelijk is.

 

 

 

 

 

Maartensdijk/Groenekan, 15 december 2010
Stichting Behoud Prinsenlaan en Ommelanden,
Secretariaat: mw drs A.M.Roestenberg-Sinnige, Prinsenlaan 25. 3738 VE Maartensdijk
e-mail info@prinsenlaantje.nl





 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

-